Sponsors op reis: Guinee-Bissau

“Ze zitten minder onder een boom dan een paar jaar terug”

De vooruitgang in Guinee-Bissau vraagt om geduld

Sponsorreis Guinee-BissauToen hun kleinkinderen geboren werden, vonden Bertien van der Kolk en Bert Schalkwijk het een mooi idee dat twee kinderen in een minder welvarend land een steuntje in de rug zouden krijgen. Kleindochter Ellen is nu 8, en Febe 6. Begin dit jaar bezocht Bert voor de derde keer hun oudste sponsorkind Umo (11 jaar) in het Afrikaanse Guinee-Bissau. Deze keer ging Bertien mee.

‘Umo woont in de regio Pirada in het noordoosten van Guinee-Bissau, heel afgelegen, een halve dag reizen vanaf de hoofdstad Bissau. Eerst heb je nog asfaltwegen, op het eind is het een uur hobbelen over een zandweg’, vertelt Bert Schalkwijk. Hij kent Guinee-Bissau als zijn broekzak. Van 2003 tot 2006 woonde hij er en leidde leraren op; via ontwikkelingsorganisatie VSO. Daarnaast deed hij er ook zelf allerlei ontwikkelingsprojecten. ‘Het voelt voor mij als thuiskomen.’ Hij is gehecht geraakt aan het land en de mensen. Bescheiden en trots tegelijk vertelt Bert dat hij er ook ereburger is. ‘De manier waarop mensen daar met beperkte middelen richting geven aan hun leven maakt indruk op mij. Ze hebben in hun hutje net één bankje, een zak rijst en wat landbouwgereedschap. Met vriendelijke gastvrijheid delen ze dat kleine beetje. Terwijl wij hier bijna stikken in onze welvaart en nog steeds ontevreden blijven!’

Sponsorreis Guinee-BissauDe wereld van Umo

Terug naar Umo. Zij is nu 11 jaar. Bert: ‘Het is een bijzonder verlegen meisje. En dan komen wij “weldoeners” op bezoek en moet zo’n kindje komen opdraven. Ik hecht niet aan dat officiële deel. Dus ik begroet haar en zeg dan dat ze lekker moet gaan spelen. Ze woont in een dorpje met traditionele huizen, die in een kraal staan om de dieren binnen te houden. Ik heb eigenlijk geen idee hoeveel kinderen de ouders van Uma hebben. De familierelaties zijn daar niet zo eenduidig; in ieder geval een stuk of zes.
Haar ouders hebben een landje en wat vee. Genoeg om redelijk van te eten en een klein beetje geld te verdienen. Er groeien cashewnoten, rijst, maïs en zoete aardappelen. Er is op zich genoeg te eten, maar het eten is niet gevarieerd. Mondjesmaat vlees. Dan moet je denken aan een enkele keer per week, zoals bij ons in de jaren vijftig. De school en het gezondheidscentrum zijn een dorp verderop, drie kilometer lopen.’

De goede dingen

‘Tijdens onze rondgang door het dorp zag ik dit keer voor het eerst dat de jongens van een jaar of 15 iets van een beroepsopleiding volgen. Ze zaten minder onder een boom te wachten op morgen dan vorige keren. Zo’n kort bezoek zegt niet alles, maar toch wel wat. Wat ik zag was echt en niet opgepoetst. Er wordt goed werk verricht door organisaties als Plan. Ze leiden mensen op, zorgen voor malarianetten en vaccinaties. Al vond ik het dan weer wel teleurstellend dat er dan over family planning wat lacherig wordt gedaan. Los daarvan is het belangrijker dat het land zich ontwikkelt: er moet een burgerlijke stand komen, een belastingstelsel en een stabiele regering. Echte vooruitgang is een geleidelijk proces. Je hebt een lange adem nodig, maar ik blijf de goede dingen zien. Umo’s ouders zijn ongeletterd, maar niet dom. Ze zien dat de wereld groter is dan Pirado. Ik denk dat ze wel naar de middelbare school zal gaan. Over twee jaar gaan we weer kijken.’